06 mei 2011

Nepal - Annapurna Sanctuary Trektocht - deel II

Alhoewel Nienke’s verhaal over onze trek inmiddels al genomineerd is voor diverse prijzen en naar verwachting nog wel eens gepubliceerd zal worden in haar tweede reisboek, hebben we toch afgesproken allebei onze bevindingen over de Annapurna Sanctuary Trek op te schrijven. Al was het maar om jullie op een willekeurige ochtend in de tijd van de baas eventjes te laten wegdwalen naar een ander deel van de wereld. Bij deze dus, mijn versie van iets wat jullie een paar weken geleden al eens hebben gelezen.


Vooraf: plannen is misleidend, echt compleet misleidend. Om de reden dat als mensen écht van te voren weten wat ze te wachten staat, ze het nooit in hun hoofd zouden halen om bijvoorbeeld een gigantische Gotische Kathedraal in Barcelona te bouwen, of een Opera House in Sydney. Maar ja, dat soort verhalen hoor of lees je nooit.


Ja ik ben ooit begonnen aan de grootste iglo ter wereld, maar na twee dagen had ik geen zin meer en ben ik gestopt. Ik liep achter op de planning.


Gewoon beginnen, dat is veel beter. Gewoon ja zeggen tegen een trektocht in de Himalaya's, want we gaan toch nog lang niet op reis... Toen leek het inderdaad nog allemaal een heel goed idee, vanachter een schermpje in een warme woonkamer ergens op driehoog in Eindhoven. Lekker de bergen in, wandelen, want we hadden immers toch goede skikleren die ons wel zouden beschermen. En ja, vierduizend meter leek ook niet zoveel. Nick had wel eens geskied op 3000 meter en dat viel ook reuze mee.
Enig onderzoek leidde tot de ontdekking dat er toch ook wel mensen zijn die niet meer van die berg afkomen als ze niet goed opletten. En die skikleren van ons, daar kon je echt niet mee lopen, veel te dik. Gevolg: we hebben een compleet nieuwe uitrusting moeten aanschaffen, wat een paar hele rijke Bever-families heeft opgeleverd. Schoenen, jassen, thermo-ondergoed, te dure wandelsokken, waterdichte zakken, dagrugzakken met speciale regenhoezen... slaapzak? Nee, die huren we wel, dat hadden we dan nog net begrepen dat dat kon. Veiligheid? Tja, de laatste verongelukte was zes jaar geleden, gewoon tegen niemand zeggen. Komt goed.


Eenmaal in Nepal aangekomen, verbleven we in een hotel in Pokhara alwaar de receptieman/travel agent/elektricien/keukenchef-als-het-niet-anders-uitkomt voor ons wel een tourtje kon boeken. Niks geen voorgedrukte brochures, gewoon op een kladblokje een getal neerzetten wat het ging kosten. Daar zat dan een gids bij, die onze grote tas zou dragen (tot 12 kilo), overnachtingen en drie maaltijden per dag. Lekker handig, lekker duidelijk. Hij fixte ook nog twee slaapzakken voor ons en twee dagen later zouden we al kunnen vertrekken.


Zo gezegd, zo gedaan.


De ochtend van de 20e stond onze gids/drager ons al op te wachten bij de hotelreceptie. Onze eerste gedachte was dat die reisagent aan het oppassen was op z’n kleine neefje omdat zijn zus d’r haar moest laten oliën, of iets anders onduidelijks. Nee, “he’s your guy” kwam ons ten gehore, terwijl we toch vooral dat laatste woord guy lichtelijk dik aangezet vonden klinken. Onze “guy” was namelijk net twee turven hoog en amper een halve breed. Maar zoals wel vaker bij dit soort mannetjes, het gaat om de pezen, niet de spieren.
Een privé minitaxi bracht ons naar de officiële vertreklocatie en na een half uurtje al slingerend door de heuvels en haarspeldbochten, met afgronden “too close for comfort” kwam het besef dat effe pinnen voor deze onderneming misschien wel handig zou zijn. Immers, je kon geen “gast stubes” verwachten zoals in de Oostenrijkse bergen, zoveel was duidelijk. Dit leidde tot enige paniek, bij zowel de chauffeur, als de gids, als zo ongeveer alle 10 de mensen die vervolgens werden gebeld, om ons te helpen bij dit euvel op de heuvel. Een en ander zette ons een slordige drie uur achter op het schema van de eerste dag. Nog niet eens begonnen en al langzamer dan gepland!


Wat je gauw beseft bij zowel Nepalezen, als ook eerder bij de vele Indiërs die we hadden ontmoet, is dat vrágen leiden tot letterlijke beschrijvende antwoorden. Een vraag als “waarom?” of “waarvoor?” wordt vaak beantwoord met een rare verontwaardigde gezichtsuitdrukking of gewoon een simpele herhaling van het antwoord op de eerste vraag. Dus op de vraag van Nienke wáárom we in vredesnaam over die hoge zandheuvel moesten terwijl we ook doodleuk mensen er omheen zagen lopen, kregen we het antwoord: “We go this way...”


Goed, laaaat maaaar...


Het Annapurna gebergte heeft meerdere toppen van ruim boven de zesduizend meter. Eentje ervan piekt zelfs een slordige acht kilometer boven zeeniveau en het is in principe niet toegestaan om deze te beklimmen. Wij zouden slechts tot halverwege deze afstand gaan, tot een plek alwaar normaal gesproken de echte expedities beginnen. Onze gekozen route schreef officieel tien dagen voor, in plaats van de gebruikelijke acht, omdat we een twee dagen omweg hadden gekozen via Poon Hill, een zij-top van 3200 meter met mooi uitzicht op de hele bergtoppenreeks. Ik weet niet of iemand wel eens een omweg van 2 dagen heeft gekozen, maar het voelt, als je moe bent, toch echt als een van de meest vreemde beslissingen in je leven. Het idee dat je ergens GISTEREN al had kunnen zijn, terwijl je vandaag én morgen nog moet hijgen als een malle om naar uiteindelijk dezelfde plek te geraken, dat past toch niet echt in onze levensovertuiging.


DSC_9015


DSC_8989.NEF


De eerste dag eindigden we dan ook lichtelijk vermoeid en onwennig door al dit gewandel en geklauter, in het plaatsje Hille, gelegen op 1400 meter hoogte. Hille, net als alle andere plaatsjes in het eerste deel van deze tocht, is een dorp met slechts een paar hutjes en guesthouses dat wordt bewoond door niet meer dan twintig Nepalezen. De dorpjes in deze streek van het Annapurna gebergte worden gevormd door trekkershutjes van boerenfamilies, die wat extra’s bijverdienen door een deel van hun huis aan te bieden aan wandelaars om te overnachten. Het is niet ongebruikelijk dat de kamers bestaan uit voormalige veestallen, met slechts wat spaanplaat als afzetting ertussen getimmerd. Sommigen hebben wel een stenen afscheiding, maar de meesten bestaan toch echt uit een enkel houten plankje.


Waar je verblijft in een guesthouse, wordt ook verwacht dat je eet in hun ‘restaurant’. De meeste lodges hebben een dining room met wat bankjes en tafels, die tevens dient voor de gasten om te socializen. Omdat alles met de hand vervoerd wordt (gemotoriseerd verkeer is hier niet mogelijk), zijn de menu’s redelijk hetzelfde over de hele route. Er wordt daarbij geadviseerd om tegelijk te bestellen en enigszins dezelfde gerechten te eten als je metgezellen. Alles om zo min mogelijk eten en energie te verspillen. Het is hier zelfs duurder om iets met een pony naar boven te slepen dan om er een paar mensen voor de regelen. Die eten minder, minder gevarieerd ook. De Nepalezen zelf (en ook alle gidsen en dragers) eten namelijk twee keer per dag Dahl Bhat, een soort rijstgerecht met linzensoep en aardappelen gemengd met wat groenten. Maar dan IE DE RE DAG, twee keer! Ik kijk normaal al scheel van verveling wanneer Nienke voorstelt om het kliekje van gisteren nog eens lekker op te warmen.


DSC04934 DSC04936
DSC04932 DSC04935


De eerste dag was dan nog een beetje onwennig, met zo’n tas op je rug door de hitte achter een kleine Nepalees aansjouwen waarvan je alleen kunt hopen dat hij de goede kant op gaat. De tweede dag daarentegen, was gewoon een regelrechte uitputtingsslag! We klommen naar 2800 meter, een totaal van 1400 meter omhoog. Maar in Nepal betekent dat niet een geleidelijke wandeling met een constante hellingshoek. Het was zelfs zo dat wanneer we een stukje naar beneden moesten, we gelijk begonnen te rekenen: dat moeten we dus óók weer omhoog! We hebben inmiddels het spreekwoord geïntroduceerd: “Nepal: what goes down, must come once up!”, prima T-shirttekst. Nienke had maar net voldoende energie om de benodigde stappen te zetten. Elke andere vorm van beweging was daardoor teveel gevraagd. Haar herinneringen aan deze dag zullen dus vooral gebaseerd zijn op de duizenden voetafdrukken die ze heeft bekeken op de grond voor haar. Voor mezelf gold vooral dat ik geen tempo kon houden. Het was constant rennen – stoppen – rennen – stoppen – hartslag boven de 200 – drinken – rennen – heej waar blijft Nienke nou? – stoppen – zitten... wachten... En weer verder. Een fatsoenlijk ritme kreeg ik niet te pakken. Deze tweede dag was fysiek ook gewoon het zwaarst van alle dagen.
Ons clubje van wandelaars was inmiddels enigszins uitgebreid naar in totaal acht personen: Sam de Chinees/Maleisiër, twee Nepalezen (onze sjouwer Rishi en Pradeep, de gids van Sam), Ian en Glenn uit respectievelijk Engeland en Australië, Judith uit Duitsland en als laatste (meestal dus ook echt als laatste als we ergens naar toe liepen) die twee Nederlandse dikslijmslakken... Wij waren wel een beetje het bewijs dat je van dure schoenen niet vanzelf gaat lopen.


DSC01144
Ian - Sam - Judith - Glenn - Nick zonder gel en een stralend afwezige Nienke


Maar zo snel als dat we een clubje hadden gevormd, zo snel viel het ook weer uit elkaar. De reden om een tweedaagse omweg te maken was, om ’s ochtends nog vóór zonsopgang op een heuvel van 3200 meter het begin van de dag te aanschouwen. Leuk idee... Ik geloof dat ik die ochtend alles bij elkaar gescholden en gevloekt heb. Pikkedonker, met een onhandig lampje waarvan ik constant vreesde dat de batterij zou uitvallen, klauteren via te smalle weggetjes met een slordige 3000 traptreden, terwijl iedereen om je heen tien keer fitter lijkt dan jezelf! Ik heb me werkelijk nog nooit zo moe gevoeld. Sta je even een halve seconde stil, zodat je hoofd niet uit elkaar knalt van de hectoliters bloed die je hart met een snelheid van 240 door je aderen probeert te pompen, komt er weer zo’n veel te enthousiast groepje Koreanen en Japanners met van die Nordic Walking stokken voorbij gemarcheerd! En een lol dat ze hebben! Ik merk dat je in tijden van complete wanhoop al met weinig gelukkig gemaakt kan worden. De belofte van een kop thee boven op de berg, hield me aan de gang. THEE??!! Ja, inderdaad, niet eens een ijskoude, grote, goudgele rakker met een spierwitte schuimkraag waarbij de condensdruppels langzaam langs het glas naar beneden drijven. Nee, thee.


Eerlijkheid gebied te zeggen dat het uitzicht op Poon Hill, wel erg mooi was. Tenminste, als er geen zestig Koreanen of ander onduidelijk Aziatisch tuig voor je neus gingen staan. Gelukkig waren die van de generatie die allemaal net de 1.50 meter aantikken, dus ik kon er wel overheen kijken. De uitkijkpost was deze ochtend veranderd in een commandocentrum van telelenzen, tripods, verrekijkers en ander spul waar je de NASA nog blij mee kon maken. Serieus, waarom bouw je een uitkijktoren trouwens op een berg? Alsof de berg zelf al niet hoog genoeg is?!
Enfin, de afdaling ging rennend, mede doordat ik gewoon honger kreeg, want ontbijt zat nog niet in mijn buik.
Doordat later bleek dat er naast Poon Hill een tweede heuvel was waar we overheen moesten, voelde mijn ochtend-uitstapje als een beetje overbodig. Ik noem het nu al een uitstapje, zo snel vergeet je de hel die je af en toe moet doorstaan. Door het heldere weer konden we vanaf deze nieuw beklommen heuvel dezelfde bergenreeks bekijken, in iets prettigere omstandigheden en met minder toeristen om ons heen.


DSC01108


DSC01158


DSC01121


DSC01130 DSC01134


DSC01105


Voorbij Gorepani en Poon Hill splitsten een hoop mensen van de route af, zij deden een kortere trek van slechts drie á vier dagen en dit was voor hun het hoogste punt. Er werd hier en daar wat gevraagd aan elkaar wat iedereen ging doen en als je antwoordde dat je nog naar ABC ging (Annapurna Base Camp), dan leidde dat meestal wel tot een blik van bewondering. Kennelijk stelde het dus toch echt wel iets voor, wat wij nog van plan waren.
De twee volgende dagen zouden ons naar Chhomrong brengen, de “laatste permanente nederzetting” tot aan Base Camp. Tijdens het zware regen- en sneeuwseizoen zijn alle dorpjes voorbij Chhomrong namelijk onbereikbaar en onbewoond. Dit soort trekkingtochten zijn namelijk alleen te doen van november tot en met mei. Wij zaten zo eind maart aan het einde van het droge seizoen, waardoor de lucht over het algemeen wat stoffiger was en de uitzichten minder helder. Maar er waren ook minder toeristen en dat maakte het een stuk rustiger. In Chhomrong werden we geadviseerd om de laatste overbodige spullen achter te laten. Immers, douchen was na dit punt niet meer echt mogelijk en het lopen zou zwaarder worden. Het zuurstofpercentage op 4000 meter hoogte, bedroeg slechts 75% ten opzichte van het percentage op zeeniveau en vanaf 2500 meter was er al kans op hoogteziekte. Het guesthouse bood aan om onze spullen veilig te bewaren tot onze terugkeer, gepland voor vijf dagen later.


Boven verwachting hadden we de vijfde dag ontzettend goede benen, zoals dat zo mooi in het wielrennen wordt gezegd. Hoewel we al hadden besloten om een dag langer over de reis naar boven te doen, gingen we verassend ver omhoog vandaag. We klommen in totaal 900 meter tot aan het dorp Dobhan en waren daarmee weer op dezelfde hoogte als Poon Hill. We maakten ons ook steeds minder druk om hoe we er uit zagen. Ik had mezelf al een dikke week niet meer geschoren en ook m’n pot met haargel was achtergebleven in het laatste guesthouse. Want het enige wat je onderweg tegen kwam was een verlepte berggeit of een Nepalees clubje dragers die toch alleen maar naar de grond staarden, bang om van de berg af te pleuren met 50 kilo ongekookte noodles op hun rug. En voor onze gids hoefden we ons al helemaal niet op te fleuren, die liep zelf al zes dagen in één en hetzelfde kloffie.


We merkten ook dat het landschap sterke veranderingen onderging. De bergen werden minder groen, er kwamen meer kale rotsen en het water werd ook helderder. In een groot deel van het jaar lag hier sneeuw, maar de eeuwige sneeuwgrens was pas vanaf 4000 meter. Het water dat hier stroomde was dus smeltwater van de hoger gelegen gletsjers en van de toch wel frequente regenbuien. Het nadeel van deze route, die tussen de bergen voerde, was dat je dus gedurende een paar dagen geen vergezichten meer kreeg. We liepen namelijk via een geul, tussen de rotswanden in naar boven. Ander klein nadeel was natuurlijk het gevaar voor lawines.


DSC_9220


DSC_9185


Praktisch alle dagen, met uitzondering van de momenten waarop het regende, kon ik lopen met slechts een dun T-shirt en een zomerse wandelbroek. Ook ’s nachts, in de onverwarmde hutjes waar we sliepen, had ik genoeg aan de dikke slaapzak en een dun shirt. Alleen de laatste dag naar de top, vanaf de lunchpauze, bleek de dikke, warme kleding goed van pas te komen. Aanvankelijk was de lucht nog blauw en genoten we tijdens onze lunch van het uitzicht op een stel wandelende berggeiten aan de overkant van de geul. Maar slechts een half uur na vertrek uit Machhapuchhre Base Camp, trok de hele hemel dicht. Geen blauwe lucht meer, geen zicht op de toppen van de geul waar we al drie dagen doorheen liepen, geen richtpunt meer vóór ons, geen mensen meer achter ons. De bodem was inmiddels ook volledig bedekt met een dikke laag sneeuw, waar je bij een verkeerde stap tot je knieën of verder in kon wegzakken. Hier kreeg ik voor het eerst het gevoel van een echte expeditie, waarbij mensen sterk afhankelijk zijn van de weersomstandigheden en ze moeten vertrouwen op hun uitrusting. Op sommige momenten, als de wind eventjes ging liggen, dan heerste er een ontzettend confronterende stilte. Slechts het geschuiffel van Nienke’s voeten was dan nog te horen. Het is niet raar dat op zo’n moment, wanneer je echt helemaal uitgeput bent, het moeilijk is om nog door te lopen terwijl je niet ziet waar je heen gaat. Maar af en toe dan trok de mist even weg en werd het einddoel, Annapurna Base Camp, eventjes zichtbaar. Even zo snel echter, namen de mist en de bewolking weer bezit van de ruimte en nu begon ook de neerslag te komen. Eerst nog alleen wat lichte regen, maar dit veranderde al snel in sneeuw en hagel en in combinatie met de steeds steviger wordende wind werd ons duidelijk dat we echt nog één keer moesten proberen aan te zetten om niet vlak voor het einde nog een lelijke storm over ons heen te krijgen.


Het typische van het Annapurna Base Camp, is dat het op een berg ligt. Jah, de Annapurna regio zijn allemaal bergen, maar je denkt dat als je eenmaal die zeven dagen hebt gelopen om bij die nederzetting te geraken, dat het dan wel ergens langs de weg zal liggen. Nee, op 50 meter van de bestemming werd ons duidelijk dat we toch nog even een slordige vijf verdiepingen hoge rotswand op moesten klimmen om echt in het kamp te geraken. Bovenaan die laatste trap stond Pradeep, de meeloop-gids van Sam de Chinees, ons al op te wachten. We werden begroet met gejuich (vooral voor Nienke) en gezwaai en meer mensen voegden zich bij hem. Het was kennelijk groot nieuws in het dorp dat de Nederlandse enclave het toch ging redden tot helemaal aan het eind. Onze kamer was al voor ons gereserveerd en het duurde dan ook niet lang voordat we onze bagage hadden gedropt en we ons snelden naar de eetzaal om een welverdiend biertje te drinken.


Zelden heeft een biertje op locatie zo goed gesmaakt. Zelden heeft een biertje er zo hard ingehakt! Onze gids Rishi klaagde twee dagen lang over keelpijn en Sam moest haast uit een gletsjer getrokken worden, omdat hij compleet verdwaalde tijdens een korte wandeling “om wat leuke foto’s te maken”. Nienke en ik hebben aan het einde van de dag nog even snel wat foto’s genomen. De lucht klaarde op en ondanks de ontzettend comfortabele verwarming onder de tafel, hebben we ons toch met veel pijn en moeite naar buiten gesleept om wat plaatjes te schieten bij zonsondergang.


Moe! Slapen! Koud (mwah)!


DSC_9241


DSC_9260


DSC_9268


DSC_9282


DSC_9298


Alle pijn en moeite die we hadden om boven te komen, leken de volgende dag totaal geen effect te hebben op onze fitheid. We renden als een stel bezetenen de berg af en haalden in één dag omlaag dezelfde afstand als in drie dagen omhoog. Nu kwamen onze lange benen toch effetjes goed van pas. Rishi had moeite om z’n korte pootjes hard genoeg te laten trappelen en het beperkte schoeisel wat hij voor de gelegenheid aan had gelaten hielp daar niet bij. De rollen waren omgekeerd, hahaahh. Die jongen was op één dag zo vaak op z’n gat gestuiterd, het leek wel alsof hij het deed voor ons vermaak. We waren massaal verbaasd over onze prestaties, zo verbaasd dat ik denk dat ik Nienke onderweg ergens stiekem een klein beetje heb zien glimlachen. Maar dat zal vast een Fata Himalaya zijn geweest. Het heerlijke van dit deel is, dat iedereen die je tegenkomt nog omhoog aan het gaan is. Dus iedere keer als er weer eens een clubje Nordic Walking Wacko’s ons voor de voeten dreigde te lopen, konden we ze vrolijk een goede dag wensen.
Het groeten onderweg, is een soort van treiter spelletje, thans, zoals wij het speelden. Wanneer je namelijk te moe bent om je voeten op te tillen tijdens het lopen, dat je zo langzaam gaat dat mensen de veters kunnen strikken tijdens het lopen, terwijl je nog minstens drie uur stijl omhoog moet gaan, lijken de mensen die je tegenkomt altijd extra vrolijk en attent: NAMASTÉ! HOW ARE YOU?! Nienke nam vaak niet eens de moeite om te antwoorden en sjokte stijf door. Ikzelf kon op zo’n moment mijn ware gezicht niet tonen en deed met alle kracht in mijn lichaam een verwoede poging om zo optimistisch mogelijk te klinken: “Great, thanks, top of the world!”. Mijn gedachten klonken echter eerder als: “Rotte t*fus t*ringz**i, fl*kk*r toch op met je kl*te gegoeijemoggol!!” Maar dan wel met een grote glimlach op m’n gezicht waarbij ik me voorstelde dat ik ze massaal van de berg af zou pleuren met hun kromme stokken en hun te goed passende, te duur betaalde North Face outfits. Nee, ik gunde ze dat plezier niet.
Maar ook nu, waren de rollen omgedraaid, HAHAAHH! “Hallo, hoe gaat het, namasté, brrr koud hoor daarboven, oef, stijle klim ga je nog krijgen straks, sooow! Ik zou maar opschieten!” Enfin, geweldig genoten. Heerlijk!


Het nadeel van de terugweg was wel dat we onze bagage weer moesten oppikken in Chhomrong, dat betekende weer extra kilo’s op onze rug. Maar vooral op die van Rishi. Gelukkig voor het mannetje stond er deze dagen ook een bezoekje aan de locale terminaal... ehh... thermaalbaden gepland. We hebben een middagje heerlijk kunnen ontspannen in twee natuurlijke hot springs, dat was zeker de moeite waard. Nadat ik het een aantal dagen had gelaten, moest ik nu toch weer eens een ‘hoe’-vraagje er tegenaan gooien, namelijk hoe die baden nou eigenlijk verwarmd werden. Het antwoord was even simpel als niets verklarend: 'door heet water'... Juist ja. Slimme jongens, die Nepalezen. Maar het was op zich ook wel een typisch antwoord dat past in de cultuur van het land: weet ik niet, boeit me niet, niet naar vragen, gewoon rijst bikken vanavond.
Nee, naar beneden is simpelweg niet zo spannend als naar boven, als je de ‘New Bridge’ oversteek niet meetelt tenminste. Want ergens bleken we nog een keer de rivier te moeten kruisen. En gelukkig dat het dorp ‘New Bridge’ heette, want ‘Old Bridge’ hadden we waarschijnlijk nooit durven oversteken. De bruggen bestaan hier namelijk ook allemaal uit touw en oude planken. Maar deze was wel extreem lang en hoog. Het duurde toch wel een hele minuut om er overheen te waggelen. En met een clubje schommelende Finse robots (serieus mensen daar in Scandinavië, lach eens wat meer!!) achter je aan maakte dat deze attractie, waar je op de kermis minstens ‘enne knaak’ voor zou moeten betalen, een extra ongewenste dimensie met zich mee kreeg.


DSC01164


DSC05111




Onze gidsen leken niet genoeg te krijgen van de bergen. Of niet genoeg van ons geld. Hadden ze echt zoveel moeite om die laatste dagen met ons mee over te lopen? Ze stelden namelijk voor dat we niet al te ver meer zouden gaan. Zo konden we nog een dagje langer van het bos en de rust genieten. Gast, wij worden kriebelig van te lang in de natuur zitten, wij willen steden met broodjeszaken, koffie van échte koffiebonen, auto’s en hotelkamers met douches, restaurants met menukaarten die ándere dingen hebben dan noodles en Dal Bhat, dáár worden wij rustig van! Hoewel we ook eventjes een slordige 15 minuten hebben staan kijken naar een stel wilde apen in de bomen waar wij onderdoor liepen. Pradeep was vooral bezig met gekke geluiden maken om de apen weg te jagen. Wij dachten dat we juist voor dit soort dingen naar Nepal waren gekomen.


Helaas maakten we op de een na laatste dag de fout door in het verkeerde dorp onze wandeling te beëindigen. We kregen te maken met de meest arrogante Nepalees die er in de bergen rond liep, wat voor nogal frustrerende momenten zorgde bij met name Sam de Chinees. In het dorp waren verder ook geen toeristen, met uitzondering van een Albaniër met zijn Duitse ‘vriendin’ waarvan we op de heenweg nog dachten dat zij de top nooit zouden halen. Ze liepen namelijk op dag 6 samen met een Chinese vrouw en haar drager richting Base Camp, terwijl wij voor die dag al gestopt waren in Deurali. Terwijl de wolken zich samenpakten, bleken zij al eens te zijn verdwaald. Nadat onze gids hun de weg had gewezen, viel de drager van de Chinese vrouw met tas en al in de rivier. En boven alles, die jongen was nog nooit in Base Camp geweest en was aan één oog blind! Ja, de gids met het houten been was al bezet ofzo, doe dan deze maar...
Voor zo’n laatste avondje, gingen we toch opvallend vroeg het nest in. Meneer de Nepalese uitbater vond het nodig om ons nog vóór half negen ’s avonds te vertellen dat we moesten gaan slapen. Hij sloot de tent. Lichtelijke irritatie door zijn houding deed ons besluiten om ’s ochtends het ontbijt over te slaan en gauw door te lopen naar het volgende dorp. De zon was inmiddels goed aan het schijnen toen we daar aan kwamen en dat maakte dat we extra hard konden genieten van onze voorlopig laatste omelet op gefrituurd maïsbrood en chapati brood.
De wandeling op deze laatste dag bracht ons naar het plaatsje Phedi, alwaar een taxi voor ons klaar stond. Hoe ze dat hadden geregeld? Tja, sinds we terugliepen richting beschaving leken onze twee gidsen onderhand vergroeid met hun telefoons te zijn. We hebben ze werkelijk niets anders zien doen dan bellen met alle nummers in hun adressenboek, minstens twee keer! Waarschijnlijk zat daar wel een taxichauffeur tussen.


Na een korte groet aan Sam en Pradeep, hezen we onszelf in dit voor ons inmiddels vreemde vervoersmiddel. Asfalt, wegen, PK’s, toeters, tja... het was allemaal al lang geleden. Maar we hadden niet veel tijd nodig om te wennen aan de stadse jungle. Binnen twee uurtjes waren we weer fris gedoucht en geschoren, pleurden we onze zak met 13 kilo stinkende was bij de receptieman op de toonbank en konden we weer echte broodjes eten bij de Laughing Buddha in Pokhara, voor € 0,60 per stuk. Voor ons was deze trek een eerste keer met misschien nog eens een vervolg.
Van Pradeep krijgen we nog regelmatig berichten over welke berg hij nu weer ingetrokken is met 20 kilo aan spullen die niet van hem zijn. We wisten uit te vogelen dat die jongens voor $ 16,- per dag, alles zelf moeten regelen. Hun uitgaven voor onderdak en eten gaat dus nog van hun loon af. We besloten om ze ’s avonds uit te nodigen voor een diner op onze kosten. Een klein bedankje vonden we wel op z’n plek. Want al waren ze soms wat vreemd, ze werkten echt keihard voor hun geld. In één seizoen van ongeveer 6 maanden kregen ze als gids zo ongeveer tussen de € 500,- en € 1000,- bij elkaar. Het merendeel daarvan kwam van de fooi die toeristen ze gaven. Wij vonden het een fantastische ervaring om zo hoog in de bergen te zijn, dus we waren blij dat we ook iets aan hun inkomsten konden bijdragen.


Ik wil inmiddels best al eens voorzichtig gaan kijken naar een volgende tocht, misschien volgend jaar. Ik weet alleen nog niet of ik dat aan Nienke durf te vertellen.


DSC05158


Alle foto's van onze trek vind je in het fotoboek