16 juli 2011

De werkende klasse

Bij aankomst in Australië, nu zo’n drie maanden geleden, begon voor ons een nieuw hoofdstuk van deze reis. Zoals bekend mag zijn, werd het tijd om onze backpacks in te ruilen voor een kledingkast, ondergoed kon niet meer binnenstebuiten gedragen worden en ik kon niet meer de deur uit zonder eerst m’n haar te doen. Het was een serieus staaltje re-integreren naar een stad die, zoals onlangs bekend werd, de op vijf na duurste plek ter wereld is om in te wonen. En dat is aanpassen geblazen, op meerdere manieren.


Inmiddels beschikken we bijvoorbeeld over een Sofinummer, een bankrekening met pinpas, hebben we ons eigen bed gekocht, staan er twee fietsen voor onze deur, sparen we punten bij de supermarkt voor korting en raken we steeds meer gehecht aan onze vogel Neil. In Nienke's geval soms letterlijk, aangezien hij regelmatig haar wang voor een lekker knaagje aanziet. Daarnaast heb ik een officiële registratie als eenmanszaak om rekeningen te kunnen sturen voor het werk wat ik hier doe. Nu we dus echt onderdeel zijn geworden van de Australische economie, verandert onze dag- en weekinvulling ook aanzienlijk. Ik heb tegenwoordig weer echt een weekend, van twee dagen in plaats van zeven. Mijn werkdagen beginnen om negen uur, heel relaxed, dus als onze huisgenoten tegen achten de deur uit lopen, begint ons ochtendritueel: douchen, eten, fietsen. Nienke is wel zo fanatiek om ’s ochtends tegelijk op te staan met mij zodat we samen ontbijten.


Het typische van het werken in Australië is dat er hier niet echt iets wordt geregeld voor lunch. Waar het in Nederland de gewoonte is om je eigen trommeltje met bruine bammetjes kaas te vullen, wordt er hier ook op dit deel van de dag buiten de deur gegeten. Tussen twaalf en drie beweegt er daardoor een complete parade van werkende mensen in de richting van de vele eettentjes. In het Central Business District, waar iedereen gekleed is in het driedelig zwart of grijs, gebeurt dat in de grote foodcourts. Dit zijn nogal grote, lawaaierige open ruimtes met een net iets te laag plafond, waar je op culinair gebied werkelijk alles uit iedere uithoek van de wereld kan krijgen, maar dan wel voor een behoorlijk hoge prijs.


Ik werk het merendeel van mijn week in Newtown, op zo’n vijf a tien minuutjes fietsen van ons huis bij een klein architectenbureau. Newtown is een wijk (of suburb) die momenteel volgens de lokale bevolking een ongewenste ontwikkeling ondergaat van hippe artistieke community, naar een meer uitgemolken commerciële mainstream buurt.
Hier zie je vooralsnog weinig maat- en mantelpakken, maar meer mensen met dreadlocks, paarse kleding en kleine bmx fietsen. Het staat culinair bekend als Thais epicentrum en op King Street zijn er meer dan twintig restaurantjes te vinden die noodles en curries als voornaamste gerechten op de menukaart hebben staan. Dit wordt afgewisseld met af en toe een hamburgertent (geen grote ketens hier, maar échte onvervalste Australische burgers), een aantal meat-pie (hartige taart) shops, hier en daar een Vietnamees restaurant, een verdwaalde Italiaan, enkele bakkerijen en koffietentjes.
De prijzen zijn hier ook een stuk schappelijker. Voor een verse Thaise maaltijd hoef je hier met de lunch niet meer dan $6,50 te betalen, dat is minder dan €5,-. Nienke en ik spreken regelmatig af in Newtown om boodschappen te doen, te gaan uit eten of om samen te lunchen. Met de huidige prijzen voor verse producten is het echter nauwelijks rendabel om zelf te koken.


Het is lastig daarom ook om niet iedere dag buiten de deur te lunchen, al probeer ik het nog wel. Ons bureau heeft namelijk op twee minuten lopen een stukje tuin, waar onze baas zijn eigen groenten en kruiden verbouwd. Dit is een soort community garden met picknicktafels waar eigenlijk nooit iemand komt, behalve wijzelf. Het heeft wel een behoorlijk hoog hippie-gehalte om je eigen slablaadjes te plukken en de slakken van je tomaat af te vegen, maar het is wel prima zitten hier in een winter waar het overdag niet kouder is dan 15 graden.


Daarnaast heeft ons kantoor ook geen koffie apparaat. Op zich een groot minpunt, want mensen die mij kennen weten dat ik wel te porren ben voor een bakkie op z’n tijd. Maar wederom, om de hoek zit één van de beste koffiebars van heel de stad, waar iedere dag vanaf zeven uur ’s ochtends drie barista’s (sjiek woord voor koffiezetters) zich helemaal in het zweet werken om iedereen van z’n take-aways te voorzien. Daar wordt koffie nou echt serieus genomen en inmiddels weten ze al wat ik drink en hoe ik het graag heb.


Dit bericht ging over de werkende klasse, maar ik heb alleen maar geschreven over de dingen die je tussen het werken door doet. Al moet erbij gezegd worden dat werken hier echt een sociale bezigheid is. Koffies, lunches en borrels na het werk zijn de dingen die een Australische werkdag nog het meest definiëren, waarvan laatstgenoemde vooral in het CBD. Vanaf donderdagmiddag is het al gebruikelijk om collegiaal een biertje te pakken en op de vrijdag is het zelfs nog meer vaste prik. Al lijkt dit fenomeen op ons kantoor nog niet helemaal te zijn doorgedrongen. Misschien is het wel een idee om dit eens te introduceren. Ach, eerst maar eens een beetje naam voor mezelf maken, want het is wel echt omschakelen in deze werkomgeving. Dat zal voor Nienke ook het geval zijn zodra zij echt aan de slag kan. Ik krijg gigantisch veel nuttige kennis, vaardigheden en ervaring erbij, al ben ik pas vijf weken bezig. Nu is het hopen dat ik ook snel mee kan met het gewenste werktempo, maar ook dat lijkt me geen probleem.


Nick likes coffee!